Voor scholen
Ondersteuning in het voortgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs: wat anders werkt
Bij jongeren van twaalf tot twintig verdien je aandacht, je krijgt hem niet cadeau. Dit is wat wel werkt — en waarom het verschil vaak in de eerste vijf minuten zit.
4 minuten lezen
Wie gewend is aan het basisonderwijs en voor het eerst een tweede klas binnenloopt, merkt het verschil binnen dertig seconden. Op de basisschool krijg je aandacht omdat je nieuw bent. In het voortgezet onderwijs krijg je aandacht als je iets te bieden hebt, en dat moet je in de eerste vijf minuten laten zien.
Dat maakt ondersteuning in het voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs een ander vak. Niet moeilijker, wel anders. Dit artikel gaat over wat er in de praktijk verschilt, en welke vormen van ondersteuning aanslaan.
Waar het verschil precies zit
Jongeren beoordelen je op echtheid. Een verhaal dat is bedacht om ze te motiveren, prikken ze binnen een minuut door. Iemand die vertelt hoe zijn werk er echt uitziet, inclusief de saaie delen, krijgt wel aandacht.
De groep is de spiegel. Wat iemand denkt, wordt bijgesteld door wat de rest doet. Eén leerling die meedoet, trekt er vijf mee. Eén leerling die zichtbaar afhaakt, ook.
De tijd is korter en harder ingedeeld. Lesuren van vijftig minuten, een bel, en daarna is iedereen weg. Er is geen ruimte om iets te laten uitlopen.
De vraag "waarom zou ik" is legitiem. In het basisonderwijs vragen kinderen dat zelden hardop. Hier wel, en het is een goede vraag. Als je er antwoord op hebt, ben je binnen.
Het gaat vaker over later. Vanaf een jaar of veertien is bijna alles gekleurd door de vraag wat je hierna gaat doen. Dat is een enorm aanknopingspunt, en het wordt zelden gebruikt.
Vier vormen die in de praktijk aanslaan
1. Iemand die zijn vak laat zien
Niet een gastles over een vak, maar iemand die het vak doet. Een geluidstechnicus, een verpleegkundige, een ondernemer, een monteur, een danser. Twintig minuten over hoe zijn week eruitziet, en daarna iets waar de klas zelf mee aan de slag gaat.
Wat het oplevert is zelden vakkennis. Het is het besef dat er een pad bestaat waar je op kunt stappen, en dat de persoon die het loopt niet onbereikbaar is.
2. Begeleiding in kleine groepen
Voor leerlingen die vastlopen werkt een groepje van drie tot vijf beter dan één op één. In het voortgezet onderwijs speelt schaamte een grotere rol dan op de basisschool: apart genomen worden is zichtbaar. In een groepje verdwijnt dat, en leren ze bovendien van elkaar.
Onderwerpen die zich hiervoor lenen: plannen en huiswerk, begrijpend lezen, examenvoorbereiding, en het opbouwen van werkritme na een periode van verzuim.
3. Ondersteuning bij praktijk en projecten
In het middelbaar beroepsonderwijs draait veel om praktijkopdrachten en stage. Extra handen tijdens praktijkuren — iemand die kan rondlopen, meekijken en vragen beantwoorden — maakt het verschil tussen twintig studenten die wachten op de docent en twintig studenten die doorwerken.
4. Programma's rond burgerschap en talent
Burgerschap staat op elk programma en is voor veel scholen lastig in te vullen zonder dat het een verplicht nummer wordt. Het werkt wel als er iets echts te bespreken valt en als het niet door de eigen mentor wordt gebracht maar door iemand van buiten.
Hetzelfde geldt voor talentontwikkeling: jongeren die op school weinig succes ervaren, blijken buiten de vakken om vaak ergens verrassend goed in. Dat zichtbaar maken heeft effect op meer dan alleen dat ene uur.
Wat een goede begeleider hier meebrengt
Los van vakinhoud zijn er vier dingen die het verschil maken bij deze leeftijd.
- Hij begint met laten zien, niet met uitleggen. De eerste twee minuten bepalen de rest van het uur.
- Hij neemt vragen serieus, ook de brutale. "Wat verdien je daarmee" is een echte vraag. Wie hem wegwuift, is de klas kwijt.
- Hij houdt de opdracht concreet. Iets doen werkt beter dan iets bespreken.
- Hij is niet uit op populariteit. Jongeren voelen precies wanneer iemand vooral aardig gevonden wil worden, en waarderen dat minder dan volwassenen denken.
Wat Karibu voor deze scholen doet
Ons aanbod voor het voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs draait om mensen: vakmensen die hun werk kunnen laten zien, en begeleiders die met deze leeftijdsgroep uit de voeten kunnen.
Concreet:
- gastdocenten en vakkrachten voor losse lessen of een reeks
- begeleiding van kleine groepen die extra ondersteuning nodig hebben, zie leerlingbegeleiding
- extra inzet tijdens praktijkuren en projectweken
- programma's rond burgerschap en talentontwikkeling, opgebouwd via onze pijlers
- ondersteuning bij afwezigheid via onderwijskrachten
Ons netwerk is breed samengesteld, en dat telt bij deze leeftijd extra zwaar. Een klas die iemand voor zich ziet die uit dezelfde stad of dezelfde situatie komt, luistert anders. Meer daarover lees je bij onze onderwijskrachten.
We werken in Amsterdam, Noord-Holland, Flevoland en de regio Leiden.
Hoe je het inplant
Drie praktische adviezen.
Plan vroeg. Projectweken en themadagen staan lang van tevoren vast. Wie in mei vraagt om iets voor november, heeft de beste keuze aan mensen.
Vraag om een reeks, niet om één les. Eén gastles is een leuke onderbreking. Drie keer dezelfde persoon bouwt iets op, en pas dan gaan leerlingen dingen vertellen.
Betrek de mentor of docent bij de terugkoppeling. Vijf minuten na afloop over wie opviel en waar de groep aanhaakte, levert informatie op die je nergens anders krijgt.
Benieuwd wat er past bij jullie school?
Vertel ons om welke leerjaren of niveaus het gaat en wat je wilt bereiken. We denken vrijblijvend mee over de vorm en over wie daarbij hoort.